Dutch

edit

Pronunciation

edit
  • IPA(key): /ɔntˈɦoːft/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: ont‧hoofd
  • Rhymes: -oːft

Verb

edit

onthoofd

  1. inflection of onthoofden:
    1. first-person singular present indicative
    2. imperative

Participle

edit

onthoofd

  1. past participle of onthoofden

Declension

edit
Declension of onthoofd
uninflected onthoofd
inflected onthoofde
positive
predicative/adverbial onthoofd
indefinite m./f. sing. onthoofde
n. sing. onthoofd
plural onthoofde
definite onthoofde
partitive onthoofds