Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ont- (de-) +‎ hoofd (head) +‎ -en

PronunciationEdit

VerbEdit

onthoofden

(transitive)

  1. To behead, decapitate, notably as capital punishment
  2. (figuratively) To remove the leadership, the brains etc. (from ...)
    Zonder de voorzitter is de onthoofde raad besluiteloos
    Without its chairman, the headless board is indecisive

InflectionEdit

Inflection of onthoofden (weak, prefixed)
infinitive onthoofden
past singular onthoofdde
past participle onthoofd
infinitive onthoofden
gerund onthoofden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular onthoofd onthoofdde
2nd person sing. (jij) onthoofdt onthoofdde
2nd person sing. (u) onthoofdt onthoofdde
2nd person sing. (gij) onthoofdt onthoofdde
3rd person singular onthoofdt onthoofdde
plural onthoofden onthoofdden
subjunctive sing.1 onthoofde onthoofdde
subjunctive plur.1 onthoofden onthoofdden
imperative sing. onthoofd
imperative plur.1 onthoofdt
participles onthoofdend onthoofd
1) Archaic.

Derived termsEdit