Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (de-) +‎ luister (lustre) +‎ -en (denominative suffix).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɔntˈlœy̯stərə(n)/
  • (file)

VerbEdit

ontluisteren

  1. (transitive) to tarnish, remove lustre

InflectionEdit

Inflection of ontluisteren (weak, prefixed)
infinitive ontluisteren
past singular ontluisterde
past participle ontluisterd
infinitive ontluisteren
gerund ontluisteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontluister ontluisterde
2nd person sing. (jij) ontluistert ontluisterde
2nd person sing. (u) ontluistert ontluisterde
2nd person sing. (gij) ontluistert ontluisterde
3rd person singular ontluistert ontluisterde
plural ontluisteren ontluisterden
subjunctive sing.1 ontluistere ontluisterde
subjunctive plur.1 ontluisteren ontluisterden
imperative sing. ontluister
imperative plur.1 ontluistert
participles ontluisterend ontluisterd
1) Archaic.