onzichtbaar

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

on- +‎ zichtbaar

PronunciationEdit

  • (file)

AdjectiveEdit

onzichtbaar ‎(comparative onzichtbaarder, superlative onzichtbaarst)

  1. invisible (not visible)

DeclensionEdit

Inflection of onzichtbaar
uninflected onzichtbaar
inflected onzichtbare
comparative onzichtbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial onzichtbaar onzichtbaarder het onzichtbaarst
het onzichtbaarste
indefinite m./f. sing. onzichtbare onzichtbaardere onzichtbaarste
n. sing. onzichtbaar onzichtbaarder onzichtbaarste
plural onzichtbare onzichtbaardere onzichtbaarste
definite onzichtbare onzichtbaardere onzichtbaarste
partitive onzichtbaars onzichtbaarders
Read in another language