zichtbaar

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

zicht +‎ -baar

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

zichtbaar ‎(comparative zichtbaarder, superlative zichtbaarst)

  1. visible

DeclensionEdit

Inflection of zichtbaar
uninflected zichtbaar
inflected zichtbare
comparative zichtbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial zichtbaar zichtbaarder het zichtbaarst
het zichtbaarste
indefinite m./f. sing. zichtbare zichtbaardere zichtbaarste
n. sing. zichtbaar zichtbaarder zichtbaarste
plural zichtbare zichtbaardere zichtbaarste
definite zichtbare zichtbaardere zichtbaarste
partitive zichtbaars zichtbaarders

AntonymsEdit

Derived termsEdit

Read in another language