Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From overtuig (stem of overtuigen) +‎ -ing.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌoː.vərˈtœy̯.ɣɪŋ/
  • (file)
  • Hyphenation: over‧tui‧ging
  • Rhymes: -œy̯ɣɪŋ

NounEdit

overtuiging f (plural overtuigingen, diminutive overtuiginkje n)

  1. persuasion
  2. belief, opinion
    Ik ben tot de overtuiging gekomen dat er geen enkel verband bestaat tussen de juwelendiefstallen en de moord.
    I have come to believe that there is no connection between the jewelry thefts and the murder.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: oortuiging