Dutch

edit

Etymology

edit

From Middle Dutch overtugen. Equivalent to over- +‎ tuigen.

Pronunciation

edit
  • IPA(key): /ˌoː.vərˈtœy̯.ɣə(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: over‧tui‧gen
  • Rhymes: -œy̯ɣən

Verb

edit

overtuigen

  1. to convince, persuade
    Synonym: (Netherlands) overreden

Conjugation

edit
Conjugation of overtuigen (weak, prefixed)
infinitive overtuigen
past singular overtuigde
past participle overtuigd
infinitive overtuigen
gerund overtuigen n
present tense past tense
1st person singular overtuig overtuigde
2nd person sing. (jij) overtuigt, overtuig2 overtuigde
2nd person sing. (u) overtuigt overtuigde
2nd person sing. (gij) overtuigt overtuigde
3rd person singular overtuigt overtuigde
plural overtuigen overtuigden
subjunctive sing.1 overtuige overtuigde
subjunctive plur.1 overtuigen overtuigden
imperative sing. overtuig
imperative plur.1 overtuigt
participles overtuigend overtuigd
1) Archaic. 2) In case of inversion.

Derived terms

edit

Descendants

edit
  • Afrikaans: oortuig
  • Negerhollands: overtug

See also

edit

Anagrams

edit