uitzonderlijk

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From uitzonderen ‎(to except) +‎ -lijk.

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

uitzonderlijk ‎(comparative uitzonderlijker, superlative uitzonderlijkst)

  1. exceptional

DeclensionEdit

Inflection of uitzonderlijk
uninflected uitzonderlijk
inflected uitzonderlijke
comparative uitzonderlijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial uitzonderlijk uitzonderlijker het uitzonderlijkst
het uitzonderlijkste
indefinite m./f. sing. uitzonderlijke uitzonderlijkere uitzonderlijkste
n. sing. uitzonderlijk uitzonderlijker uitzonderlijkste
plural uitzonderlijke uitzonderlijkere uitzonderlijkste
definite uitzonderlijke uitzonderlijkere uitzonderlijkste
partitive uitzonderlijks uitzonderlijkers

Derived termsEdit

Read in another language