uitzonderen

DutchEdit

EtymologyEdit

From uit (archaic) zonderen 'to separate'

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

uitzonderen

  1. to exclude, except
    Een hexaploïde cel is een cel waarvan in de celkern elk chromosoom zes maal voorkomt (geslachtschromosomen uitgezonderd).[1] — A hexaploid cell is a cell for which in the cell nucleus each chromosome occurs six times (sex chromosomes excluded).

InflectionEdit

Inflection of uitzonderen (weak, separable)
infinitive uitzonderen
past singular zonderde uit
past participle uitgezonderd
infinitive uitzonderen
gerund uitzonderen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zonder uit zonderde uit uitzonder uitzonderde
2nd person sing. (jij) zondert uit zonderde uit uitzondert uitzonderde
2nd person sing. (u) zondert uit zonderde uit uitzondert uitzonderde
2nd person sing. (gij) zondert uit zonderde uit uitzondert uitzonderde
3rd person singular zondert uit zonderde uit uitzondert uitzonderde
plural zonderen uit zonderden uit uitzonderen uitzonderden
subjunctive sing.1 zondere uit zonderde uit uitzondere uitzonderde
subjunctive plur.1 zonderen uit zonderden uit uitzonderen uitzonderden
imperative sing. zonder uit
imperative plur.1 zondert uit
participles uitzonderend uitgezonderd
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit