verzekeren

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ zekeren

PronunciationEdit

VerbEdit

verzekeren ‎(past singular verzekerde, past participle verzekerd)

  1. to assure
  2. to insure

SynonymsEdit

ConjugationEdit

Inflection of verzekeren (weak, prefixed)
infinitive verzekeren
past singular verzekerde
past participle verzekerd
infinitive verzekeren
gerund verzekeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verzeker verzekerde
2nd person sing. (jij) verzekert verzekerde
2nd person sing. (u) verzekert verzekerde
2nd person sing. (gij) verzekert verzekerde
3rd person singular verzekert verzekerde
plural verzekeren verzekerden
subjunctive sing.1 verzekere verzekerde
subjunctive plur.1 verzekeren verzekerden
imperative sing. verzeker
imperative plur.1 verzekert
participles verzekerend verzekerd
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language