Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch vloeken, from Old Dutch fluokon. Cognate with Old English flōcan, German fluchen etc., all ultimately from a Proto-Indo-European *plăg(to strike), cf. *pleh₂k-.

VerbEdit

vloeken

  1. (intransitive) To curse, to damn, invoke a negative spell.
  2. (intransitive) To blaspheme, curse, swear.
  3. (figuratively) To clash, go very badly with

InflectionEdit

Inflection of vloeken (weak)
infinitive vloeken
past singular vloekte
past participle gevloekt
infinitive vloeken
gerund vloeken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vloek vloekte
2nd person sing. (jij) vloekt vloekte
2nd person sing. (u) vloekt vloekte
2nd person sing. (gij) vloekt vloekte
3rd person singular vloekt vloekte
plural vloeken vloekten
subjunctive sing.1 vloeke vloekte
subjunctive plur.1 vloeken vloekten
imperative sing. vloek
imperative plur.1 vloekt
participles vloekend gevloekt
1) Archaic.

Derived termsEdit

NounEdit

vloeken

  1. Plural form of vloek