Open main menu

bankbreukig

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From bankbreuk (bankruptcy) +‎ -ig (-y, adjectival denominal suffix).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌbɑŋkˈbrøː.kəx/
  • Hyphenation: bank‧breu‧kig

AdjectiveEdit

bankbreukig (not comparable)

  1. (archaic, historical, law) bankrupt; criminally bankrupt
    • 1926, Pieter Hendrik Fromberg, Mr. P.H. Fromberg's Verspreide geschriften, page 310.
      Tracht hij door het overleggen van onvolledige of vervalschte boeken den waren staat der ontvangsten en uitgaven te verbergen, als bankbreukige behoort hij dan met den strafrechter kennis te maken.
      If he attempts to conceal the true state of revenues and expenses by handing over incomplete or fabricated accounts, he will then have to face criminal justice as a criminally bankrupt person.
    Synonyms: bankroet, blut, skeer

InflectionEdit

Inflection of bankbreukig
uninflected bankbreukig
inflected bankbreukige
comparative
positive
predicative/adverbial bankbreukig
indefinite m./f. sing. bankbreukige
n. sing. bankbreukig
plural bankbreukige
definite bankbreukige
partitive bankbreukigs