beëindigen

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

beëindigen ‎(past singular beëindigde, past participle beëindigd)

  1. to finish, conclude

ConjugationEdit

Inflection of beëindigen (weak, prefixed)
infinitive beëindigen
past singular beëindigde
past participle beëindigd
infinitive beëindigen
gerund beëindigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beëindig beëindigde
2nd person sing. (jij) beëindigt beëindigde
2nd person sing. (u) beëindigt beëindigde
2nd person sing. (gij) beëindigt beëindigde
3rd person singular beëindigt beëindigde
plural beëindigen beëindigden
subjunctive sing.1 beëindige beëindigde
subjunctive plur.1 beëindigen beëindigden
imperative sing. beëindig
imperative plur.1 beëindigt
participles beëindigend beëindigd
1) Archaic.
Read in another language