Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

bij + behorend

AdjectiveEdit

bijbehorend ‎(not comparable)

  1. associated, matching

InflectionEdit

Inflection of bijbehorend
uninflected bijbehorend
inflected bijbehorende
comparative
positive
predicative/adverbial bijbehorend
indefinite m./f. sing. bijbehorende
n. sing. bijbehorend
plural bijbehorende
definite bijbehorende
partitive bijbehorends