bijtijds

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From bij ‎(by) +‎ tijd ‎(time) + adverbial -s.

PronunciationEdit

AdverbEdit

bijtijds

  1. in good time, well in advance; betimes, betides

AdjectiveEdit

bijtijds ‎(not comparable)

  1. in good time, well in advance; betimes, betides

DeclensionEdit

Inflection of bijtijds
uninflected bijtijds
inflected bijtijdse
comparative
positive
predicative/adverbial bijtijds
indefinite m./f. sing. bijtijdse
n. sing. bijtijds
plural bijtijdse
definite bijtijdse
partitive bijtijds

SynonymsEdit

Related termsEdit

Read in another language