Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From eigen(own) +‎ aard(nature, character, disposition) +‎ -ig(adjectival suffix): having a nature of its own.

AdjectiveEdit

eigenaardig ‎(comparative eigenaardiger, superlative eigenaardigst)

  1. idiosyncratic, peculiar

InflectionEdit

Inflection of eigenaardig
uninflected eigenaardig
inflected eigenaardige
comparative eigenaardiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial eigenaardig eigenaardiger het eigenaardigst
het eigenaardigste
indefinite m./f. sing. eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
n. sing. eigenaardig eigenaardiger eigenaardigste
plural eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
definite eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
partitive eigenaardigs eigenaardigers

Derived termsEdit