Open main menu

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɣəˈzɔnt/
  • (file)
  • Rhymes: -ɔnt

Etymology 1Edit

From Proto-Germanic *gasundaz, cognate with German gesund, Old English ġesund, and Old High German gisunt.

AdjectiveEdit

gezond (comparative gezonder, superlative gezondst)

  1. healthy
InflectionEdit
Inflection of gezond
uninflected gezond
inflected gezonde
comparative gezonder
positive comparative superlative
predicative/adverbial gezond gezonder het gezondst
het gezondste
indefinite m./f. sing. gezonde gezondere gezondste
n. sing. gezond gezonder gezondste
plural gezonde gezondere gezondste
definite gezonde gezondere gezondste
partitive gezonds gezonders
AntonymsEdit
Related termsEdit
DescendantsEdit
  • Sranan Tongo: gesontu

Etymology 2Edit

See the etymology of the main entry.

ParticipleEdit

gezond (not used adjectivally)

  1. past participle of zonnen

AnagramsEdit