groepsgewijs

DutchEdit

EtymologyEdit

From groep +‎ -s +‎ -gewijs.

PronunciationEdit

  • (file)

AdverbEdit

groepsgewijs

  1. in groups

AdjectiveEdit

groepsgewijs (not comparable)

  1. in groups

InflectionEdit

Inflection of groepsgewijs
uninflected groepsgewijs
inflected groepsgewijze
comparative
positive
predicative/adverbial groepsgewijs
indefinite m./f. sing. groepsgewijze
n. sing. groepsgewijs
plural groepsgewijze
definite groepsgewijze
partitive groepsgewijs