injecteren

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From French injecter

PronunciationEdit

VerbEdit

injecteren ‎(past singular injecteerde, past participle geïnjecteerd)

  1. inject (to push or pump something in)

ConjugationEdit

Inflection of injecteren (weak)
infinitive injecteren
past singular injecteerde
past participle geïnjecteerd
infinitive injecteren
gerund injecteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular injecteer injecteerde
2nd person sing. (jij) injecteert injecteerde
2nd person sing. (u) injecteert injecteerde
2nd person sing. (gij) injecteert injecteerde
3rd person singular injecteert injecteerde
plural injecteren injecteerden
subjunctive sing.1 injectere injecteerde
subjunctive plur.1 injecteren injecteerden
imperative sing. injecteer
imperative plur.1 injecteert
participles injecterend geïnjecteerd
1) Archaic.

SynonymsEdit

Derived termsEdit

Read in another language