Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (de-) +‎ luis (louse) +‎ -en (verbal suffix).

PronunciationEdit

  • Rhymes: -œy̯zən
  • (file)

VerbEdit

ontluizen

  1. to delouse

InflectionEdit

Inflection of ontluizen (weak, prefixed)
infinitive ontluizen
past singular ontluisde
past participle ontluisd
infinitive ontluizen
gerund ontluizen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontluis ontluisde
2nd person sing. (jij) ontluist ontluisde
2nd person sing. (u) ontluist ontluisde
2nd person sing. (gij) ontluist ontluisde
3rd person singular ontluist ontluisde
plural ontluizen ontluisden
subjunctive sing.1 ontluize ontluisde
subjunctive plur.1 ontluizen ontluisden
imperative sing. ontluis
imperative plur.1 ontluist
participles ontluizend ontluisd
1) Archaic.

Derived termsEdit