tegemoetkomen

DutchEdit

EtymologyEdit

From tegemoet +‎ komen.

PronunciationEdit

VerbEdit

tegemoetkomen ‎(past singular kwam tegemoet, past participle tegemoetgekomen)

  1. to approach, come to meet
  2. to make concessions to

ConjugationEdit

Inflection of tegemoetkomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive tegemoetkomen
past singular kwam tegemoet
past participle tegemoetgekomen
infinitive tegemoetkomen
gerund tegemoetkomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom tegemoet kwam tegemoet tegemoetkom tegemoetkwam
2nd person sing. (jij) komt tegemoet kwam tegemoet tegemoetkomt tegemoetkwam
2nd person sing. (u) komt tegemoet kwam tegemoet tegemoetkomt tegemoetkwam
2nd person sing. (gij) komt tegemoet kwaamt tegemoet tegemoetkomt tegemoetkwaamt
3rd person singular komt tegemoet kwam tegemoet tegemoetkomt tegemoetkwam
plural komen tegemoet kwamen tegemoet tegemoetkomen tegemoetkwamen
subjunctive sing.1 kome tegemoet kwame tegemoet tegemoetkome tegemoetkwame
subjunctive plur.1 komen tegemoet kwamen tegemoet tegemoetkomen tegemoetkwamen
imperative sing. kom tegemoet
imperative plur.1 komt tegemoet
participles tegemoetkomend tegemoetgekomen
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language