Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ lieven.

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

verlieven

  1. to fall in love
  2. to make someone fall in love

InflectionEdit

Inflection of verlieven (weak, prefixed)
infinitive verlieven
past singular verliefde
past participle verliefd
infinitive verlieven
gerund verlieven n
present tense past tense
1st person singular verlief verliefde
2nd person sing. (jij) verlieft verliefde
2nd person sing. (u) verlieft verliefde
2nd person sing. (gij) verlieft verliefde
3rd person singular verlieft verliefde
plural verlieven verliefden
subjunctive sing.1 verlieve verliefde
subjunctive plur.1 verlieven verliefden
imperative sing. verlief
imperative plur.1 verlieft
participles verlievend verliefd
1) Archaic.

Derived termsEdit

Related termsEdit