DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch vrolijc, from Old Dutch frōlīk, from *frō +‎ -līk, the former part from Proto-Germanic *frawaz, the latter from *-līkaz.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈvroːˌlək/
  • (file)

AdjectiveEdit

vrolijk (comparative vrolijker, superlative vrolijkst)

  1. cheerful, merry
    Vrolijk Kerstfeest en een gelukkig Nieuwjaar!
    Merry Christmas and a happy New Year!

InflectionEdit

Inflection of vrolijk
uninflected vrolijk
inflected vrolijke
comparative vrolijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial vrolijk vrolijker het vrolijkst
het vrolijkste
indefinite m./f. sing. vrolijke vrolijkere vrolijkste
n. sing. vrolijk vrolijker vrolijkste
plural vrolijke vrolijkere vrolijkste
definite vrolijke vrolijkere vrolijkste
partitive vrolijks vrolijkers

DescendantsEdit

  • Afrikaans: vrolik
  • English: frolic