windwak

DutchEdit

EtymologyEdit

Compound of wind (wind) +‎ wak (hole in surface ice). First attested in the 19th century.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈʋɪnt.ʋɑk/
  • Hyphenation: wind‧wak

NounEdit

windwak n (plural windwakken)

  1. A hole in surface ice caused by winds preventing the water from freezing shut.
    • 1863, P. J. Andriessen, De Prins en Johan de Witt. Of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regering, G. W. Tielkemeijer (publ.), page 91.
      Alleen op de diepere molensloten, waar men — als de molens gemalen hebben — dikwijls bomijs aantreft of — als 't sterk gewaaid heeft — zoogenoemde windwakken, kan men gevaar lopen van te verdrinken.
      (please add an English translation of this quote)