Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From be- +‎ angstig +‎ -en.

PronunciationEdit

VerbEdit

beangstigen

  1. (transitive) to make anxious, to make fearful, to alarm

InflectionEdit

Inflection of beangstigen (weak, prefixed)
infinitive beangstigen
past singular beangstigde
past participle beangstigd
infinitive beangstigen
gerund beangstigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beangstig beangstigde
2nd person sing. (jij) beangstigt beangstigde
2nd person sing. (u) beangstigt beangstigde
2nd person sing. (gij) beangstigt beangstigde
3rd person singular beangstigt beangstigde
plural beangstigen beangstigden
subjunctive sing.1 beangstige beangstigde
subjunctive plur.1 beangstigen beangstigden
imperative sing. beangstig
imperative plur.1 beangstigt
participles beangstigend beangstigd
1) Archaic.

Related termsEdit