Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

Deverbal of bedaren (to become calm, to calm down)

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

bedaard (comparative bedaarder, superlative bedaardst)

  1. serene, imperturbable
  2. calm, level-headed

InflectionEdit

Inflection of bedaard
uninflected bedaard
inflected bedaarde
comparative bedaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial bedaard bedaarder het bedaardst
het bedaardste
indefinite m./f. sing. bedaarde bedaardere bedaardste
n. sing. bedaard bedaarder bedaardste
plural bedaarde bedaardere bedaardste
definite bedaarde bedaardere bedaardste
partitive bedaards bedaarders

AdverbEdit

bedaard

  1. serenely
  2. calmly

ParticipleEdit

bedaard

  1. past participle of bedaren

InflectionEdit

Inflection of bedaard
uninflected bedaard
inflected bedaarde
comparative
positive
predicative/adverbial bedaard
indefinite m./f. sing. bedaarde
n. sing. bedaard
plural bedaarde
definite bedaarde
partitive bedaards

AnagramsEdit