bekrachtigen

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch becrachtigen. Equivalent to be- +‎ kracht +‎ -igen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈkrɑxtəɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧krach‧ti‧gen

VerbEdit

bekrachtigen

  1. (transitive) to ratify, to bring into force

InflectionEdit

Inflection of bekrachtigen (weak, prefixed)
infinitive bekrachtigen
past singular bekrachtigde
past participle bekrachtigd
infinitive bekrachtigen
gerund bekrachtigen n
present tense past tense
1st person singular bekrachtig bekrachtigde
2nd person sing. (jij) bekrachtigt bekrachtigde
2nd person sing. (u) bekrachtigt bekrachtigde
2nd person sing. (gij) bekrachtigt bekrachtigde
3rd person singular bekrachtigt bekrachtigde
plural bekrachtigen bekrachtigden
subjunctive sing.1 bekrachtige bekrachtigde
subjunctive plur.1 bekrachtigen bekrachtigden
imperative sing. bekrachtig
imperative plur.1 bekrachtigt
participles bekrachtigend bekrachtigd
1) Archaic.

Derived termsEdit