gezet

DutchEdit

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

gezet ‎(comparative gezetter, superlative gezetst)

  1. stout, stocky
  2. (euphemistic) obese, overweight
  3. fixed, set, determined (said of mortgage terms, timeframe of a plan, etc)

DeclensionEdit

Inflection of gezet
uninflected gezet
inflected gezette
comparative gezetter
positive comparative superlative
predicative/adverbial gezet gezetter het gezetst
het gezetste
indefinite m./f. sing. gezette gezettere gezetste
n. sing. gezet gezetter gezetste
plural gezette gezettere gezetste
definite gezette gezettere gezetste
partitive gezets gezetters

ParticipleEdit

gezet

  1. past participle of zetten

DeclensionEdit

This participle needs an inflection-table template.

AnagramsEdit

Read in another language