loochenen

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch logenen, loghenen, loochenen. Cognate with German leugnen. This etymology is incomplete. You can help Wiktionary by elaborating on the origins of this term.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈloː.xə.nə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: loo‧che‧nen

VerbEdit

loochenen

  1. (transitive) to deny, to withsay (to assert the falsity or non-existence of)
    • 1875, Julius van B....r, Atchin. Driemaal begraven, publ. by A Tjaden, page 120.
      Het fiere meisje loochende alle schuld en daar grootsche karakters, gelijk het hare, maar zelden door de omgeving, waarin zij geplaatst zijn, worden begrepen, maakte ook hare edele houding niet dien indruk op de verbitterde gemoederen harer rechters, als zij verdiend had.
  2. (obsolete, transitive) to disavow, to deny

InflectionEdit

Inflection of loochenen (weak)
infinitive loochenen
past singular loochende
past participle geloochend
infinitive loochenen
gerund loochenen n
present tense past tense
1st person singular loochen loochende
2nd person sing. (jij) loochent loochende
2nd person sing. (u) loochent loochende
2nd person sing. (gij) loochent loochende
3rd person singular loochent loochende
plural loochenen loochenden
subjunctive sing.1 loochene loochende
subjunctive plur.1 loochenen loochenden
imperative sing. loochen
imperative plur.1 loochent
participles loochenend geloochend
1) Archaic.

Derived termsEdit