omzetten

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

om + zetten

PronunciationEdit

VerbEdit

omzetten ‎(past singular zette om, past participle omgezet)

  1. to turn, to flip
  2. to convert
  3. to cast (change the type of a variable)

ConjugationEdit

Inflection of omzetten (weak, separable)
infinitive omzetten
past singular zette om
past participle omgezet
infinitive omzetten
gerund omzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet om zette om omzet omzette
2nd person sing. (jij) zet om zette om omzet omzette
2nd person sing. (u) zet om zette om omzet omzette
2nd person sing. (gij) zet om zette om omzet omzette
3rd person singular zet om zette om omzet omzette
plural zetten om zetten om omzetten omzetten
subjunctive sing.1 zette om zette om omzette omzette
subjunctive plur.1 zetten om zetten om omzetten omzetten
imperative sing. zet om
imperative plur.1 zet om
participles omzettend omgezet
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language