ontbloten

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (de-) +‎ bloot (bare, naked) +‎ -en.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈbloː.tə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -oːtən

VerbEdit

ontbloten

(transitive)

  1. To bare, render naked
  2. (figurative) To strip bare an object
  3. (figurative) (in ontbloten van) To rid of, deprive of

InflectionEdit

Inflection of ontbloten (weak, prefixed)
infinitive ontbloten
past singular ontblootte
past participle ontbloot
infinitive ontbloten
gerund ontbloten n
present tense past tense
1st person singular ontbloot ontblootte
2nd person sing. (jij) ontbloot ontblootte
2nd person sing. (u) ontbloot ontblootte
2nd person sing. (gij) ontbloot ontblootte
3rd person singular ontbloot ontblootte
plural ontbloten ontblootten
subjunctive sing.1 ontblote ontblootte
subjunctive plur.1 ontbloten ontblootten
imperative sing. ontbloot
imperative plur.1 ontbloot
participles ontblotend ontbloot
1) Archaic.

SynonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit