onthemen

DutchEdit

EtymologyEdit

Back-formation from ontheemd. Equivalent to ont- (de-, away) +‎ heem (home) +‎ -en.

PronunciationEdit

VerbEdit

onthemen

  1. (transitive, rare, said of people) to displace, deprive of a home
    • 1970, C. J. F. Stuldreher, Concentratiekampen. Systeem en praktijk in Nederland, Fibula-Van Dishoeck (publ.), 42.
      Zij konden beginnen aan de deportaties, evacuaties, verhuizingen, emigraties, ghettovorming, aan het onthemen van mensen in het kader van door nationaalsocialistisch racisme bedachte noodzakelijkheden als Neuordnung of Reinigung des Volkskörpers.
      They could commence the deportations, evacuations, moves, emigrations, ghettoisation, the dislocation of people under the necessary inventions of national socialist racism such as Neuordnung of Reinigung des Volkskörpers.

InflectionEdit

Inflection of onthemen (weak, prefixed)
infinitive onthemen
past singular ontheemde
past participle ontheemd
infinitive onthemen
gerund onthemen n
present tense past tense
1st person singular ontheem ontheemde
2nd person sing. (jij) ontheemt ontheemde
2nd person sing. (u) ontheemt ontheemde
2nd person sing. (gij) ontheemt ontheemde
3rd person singular ontheemt ontheemde
plural onthemen ontheemden
subjunctive sing.1 ontheme ontheemde
subjunctive plur.1 onthemen ontheemden
imperative sing. ontheem
imperative plur.1 ontheemt
participles onthemend ontheemd
1) Archaic.