Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ont- +‎ lokken

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

ontlokken

  1. to elicit

InflectionEdit

Inflection of ontlokken (weak, prefixed)
infinitive ontlokken
past singular ontlokte
past participle ontlokt
infinitive ontlokken
gerund ontlokken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontlok ontlokte
2nd person sing. (jij) ontlokt ontlokte
2nd person sing. (u) ontlokt ontlokte
2nd person sing. (gij) ontlokt ontlokte
3rd person singular ontlokt ontlokte
plural ontlokken ontlokten
subjunctive sing.1 ontlokke ontlokte
subjunctive plur.1 ontlokken ontlokten
imperative sing. ontlok
imperative plur.1 ontlokt
participles ontlokkend ontlokt
1) Archaic.

Related termsEdit