ontpakken

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- (un-) +‎ pakken (to wrap up, pack)

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈpɑ.kə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ont‧pak‧ken
  • Rhymes: -ɑkən

VerbEdit

ontpakken

  1. (transitive) to unpack
    Synonym: uitpakken

InflectionEdit

Inflection of ontpakken (weak, prefixed)
infinitive ontpakken
past singular ontpakte
past participle ontpakt
infinitive ontpakken
gerund ontpakken n
present tense past tense
1st person singular ontpak ontpakte
2nd person sing. (jij) ontpakt ontpakte
2nd person sing. (u) ontpakt ontpakte
2nd person sing. (gij) ontpakt ontpakte
3rd person singular ontpakt ontpakte
plural ontpakken ontpakten
subjunctive sing.1 ontpakke ontpakte
subjunctive plur.1 ontpakken ontpakten
imperative sing. ontpak
imperative plur.1 ontpakt
participles ontpakkend ontpakt
1) Archaic.