Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ont- +‎ wapenen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ɔntˈʋaːpənə(n)/
  • (file)

VerbEdit

ontwapenen

  1. (transitive) to disarm, to take weapons from
  2. (transitive) to disarm emotionally

InflectionEdit

Inflection of ontwapenen (weak, prefixed)
infinitive ontwapenen
past singular ontwapende
past participle ontwapend
infinitive ontwapenen
gerund ontwapenen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontwapen ontwapende
2nd person sing. (jij) ontwapent ontwapende
2nd person sing. (u) ontwapent ontwapende
2nd person sing. (gij) ontwapent ontwapende
3rd person singular ontwapent ontwapende
plural ontwapenen ontwapenden
subjunctive sing.1 ontwapene ontwapende
subjunctive plur.1 ontwapenen ontwapenden
imperative sing. ontwapen
imperative plur.1 ontwapent
participles ontwapenend ontwapend
1) Archaic.