opnaaien

DutchEdit

EtymologyEdit

From op (up) +‎ naaien (to sew).

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

opnaaien

  1. rile up, provoke, excite
    (newspaper article header) Eerst publiek even opnaaien en dan pakt Sagan uit met specialiteit van het huis
    First getting the spectators on their feet to then treat them to his signature move [namely a wheelie, editor's note]
    [1]
    Carl Hoefkens laat zich niet opnaaien.
    Carl Hoefkens will not get himself riled up.
  2. (sewing) To connect pieces by sewing them together.

InflectionEdit

Inflection of opnaaien (weak, separable)
infinitive opnaaien
past singular naaide op
past participle opgenaaid
infinitive opnaaien
gerund opnaaien n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular naai op naaide op opnaai opnaaide
2nd person sing. (jij) naait op naaide op opnaait opnaaide
2nd person sing. (u) naait op naaide op opnaait opnaaide
2nd person sing. (gij) naait op naaide op opnaait opnaaide
3rd person singular naait op naaide op opnaait opnaaide
plural naaien op naaiden op opnaaien opnaaiden
subjunctive sing.1 naaie op naaide op opnaaie opnaaide
subjunctive plur.1 naaien op naaiden op opnaaien opnaaiden
imperative sing. naai op
imperative plur.1 naait op
participles opnaaiend opgenaaid
1) Archaic.

SynonymsEdit