plaatsen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

plaats +‎ -en

PronunciationEdit

VerbEdit

plaatsen ‎(past singular plaatste, past participle geplaatst)

  1. to place
    plaats bestelling — place an order

ConjugationEdit

Inflection of plaatsen (weak)
infinitive plaatsen
past singular plaatste
past participle geplaatst
infinitive plaatsen
gerund plaatsen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular plaats plaatste
2nd person sing. (jij) plaatst plaatste
2nd person sing. (u) plaatst plaatste
2nd person sing. (gij) plaatst plaatste
3rd person singular plaatst plaatste
plural plaatsen plaatsten
subjunctive sing.1 plaatse plaatste
subjunctive plur.1 plaatsen plaatsten
imperative sing. plaats
imperative plur.1 plaatst
participles plaatsend geplaatst
1) Archaic.

Derived termsEdit

NounEdit

plaatsen

  1. Plural form of plaats
Read in another language