verplaatsen

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- + plaatsen

PronunciationEdit

VerbEdit

verplaatsen ‎(past singular verplaatste, past participle verplaatst)

  1. to move, transfer – from one place (A) to another (B)
  2. to remove

ConjugationEdit

Inflection of verplaatsen (weak, prefixed)
infinitive verplaatsen
past singular verplaatste
past participle verplaatst
infinitive verplaatsen
gerund verplaatsen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verplaats verplaatste
2nd person sing. (jij) verplaatst verplaatste
2nd person sing. (u) verplaatst verplaatste
2nd person sing. (gij) verplaatst verplaatste
3rd person singular verplaatst verplaatste
plural verplaatsen verplaatsten
subjunctive sing.1 verplaatse verplaatste
subjunctive plur.1 verplaatsen verplaatsten
imperative sing. verplaats
imperative plur.1 verplaatst
participles verplaatsend verplaatst
1) Archaic.
Read in another language