tegenwerpen

DutchEdit

EtymologyEdit

Equivalent to tegen +‎ werpen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈteː.ɣə(n)ˌʋɛr.pə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: te‧gen‧wer‧pen

VerbEdit

tegenwerpen

  1. (transitive) to object, to state to the contrary (usually accompanied by a subordinate clause)
  2. (law, transitive) This term needs a translation to English. Please help out and add a translation, then remove the text {{rfdef}}.

InflectionEdit

Inflection of tegenwerpen (strong class 3+7, separable)
infinitive tegenwerpen
past singular wierp tegen
past participle tegengeworpen
infinitive tegenwerpen
gerund tegenwerpen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular werp tegen wierp tegen tegenwerp tegenwierp
2nd person sing. (jij) werpt tegen wierp tegen tegenwerpt tegenwierp
2nd person sing. (u) werpt tegen wierp tegen tegenwerpt tegenwierp
2nd person sing. (gij) werpt tegen wierpt tegen tegenwerpt tegenwierpt
3rd person singular werpt tegen wierp tegen tegenwerpt tegenwierp
plural werpen tegen wierpen tegen tegenwerpen tegenwierpen
subjunctive sing.1 werpe tegen wierpe tegen tegenwerpe tegenwierpe
subjunctive plur.1 werpen tegen wierpen tegen tegenwerpen tegenwierpen
imperative sing. werp tegen
imperative plur.1 werpt tegen
participles tegenwerpend tegengeworpen
1) Archaic.

Derived termsEdit