terugtrekken

DutchEdit

EtymologyEdit

From terug +‎ trekken.

PronunciationEdit

VerbEdit

terugtrekken ‎(past singular trok terug, past participle teruggetrokken)

  1. (transitive) to withdraw, to pull back
  2. (reflexive) to pull back, to retreat

ConjugationEdit

Inflection of terugtrekken (strong class 3, separable)
infinitive terugtrekken
past singular trok terug
past participle teruggetrokken
infinitive terugtrekken
gerund terugtrekken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular trek terug trok terug terugtrek terugtrok
2nd person sing. (jij) trekt terug trok terug terugtrekt terugtrok
2nd person sing. (u) trekt terug trok terug terugtrekt terugtrok
2nd person sing. (gij) trekt terug trokt terug terugtrekt terugtrokt
3rd person singular trekt terug trok terug terugtrekt terugtrok
plural trekken terug trokken terug terugtrekken terugtrokken
subjunctive sing.1 trekke terug trokke terug terugtrekke terugtrokke
subjunctive plur.1 trekken terug trokken terug terugtrekken terugtrokken
imperative sing. trek terug
imperative plur.1 trekt terug
participles terugtrekkend teruggetrokken
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language