toestaan

DutchEdit

EtymologyEdit

From toe (up to, at) +‎ staan (to stand).

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

toestaan

  1. to permit, allow

InflectionEdit

Inflection of toestaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive toestaan
past singular stond toe
past participle toegestaan
infinitive toestaan
gerund toestaan n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sta toe stond toe toesta toestond
2nd person sing. (jij) staat toe stond toe toestaat toestond
2nd person sing. (u) staat toe stond toe toestaat toestond
2nd person sing. (gij) staat toe stondt toe toestaat toestondt
3rd person singular staat toe stond toe toestaat toestond
plural staan toe stonden toe toestaan toestonden
subjunctive sing.1 sta toe stonde toe toesta toestonde
subjunctive plur.1 staan toe stonden toe toestaan toestonden
imperative sing. sta toe
imperative plur.1 staat toe
participles toestaand toegestaan
1) Archaic.

DescendantsEdit

  • Negerhollands: staan toe

AnagramsEdit