uitzichtloos

DutchEdit

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

From uitzicht +‎ -loos.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈœy̯t.zɪxtˌloːs/
  • (file)
  • Hyphenation: uit‧zicht‧loos

AdjectiveEdit

uitzichtloos (comparative uitzichtlozer, superlative meest uitzichtloos or uitzichtloost)

  1. hopeless
  2. (medicine) without any reasonable expectations for any improvement in a medical condition

InflectionEdit

Inflection of uitzichtloos
uninflected uitzichtloos
inflected uitzichtloze
comparative uitzichtlozer
positive comparative superlative
predicative/adverbial uitzichtloos uitzichtlozer het uitzichtloost
het uitzichtlooste
indefinite m./f. sing. uitzichtloze uitzichtlozere uitzichtlooste
n. sing. uitzichtloos uitzichtlozer uitzichtlooste
plural uitzichtloze uitzichtlozere uitzichtlooste
definite uitzichtloze uitzichtlozere uitzichtlooste
partitive uitzichtloos uitzichtlozers

Derived termsEdit