verbouwen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ bouwen

PronunciationEdit

VerbEdit

verbouwen ‎(past singular verbouwde, past participle verbouwd)

  1. to rebuild
  2. to cultivate

SynonymsEdit

ConjugationEdit

Inflection of verbouwen (weak, prefixed)
infinitive verbouwen
past singular verbouwde
past participle verbouwd
infinitive verbouwen
gerund verbouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verbouw verbouwde
2nd person sing. (jij) verbouwt verbouwde
2nd person sing. (u) verbouwt verbouwde
2nd person sing. (gij) verbouwt verbouwde
3rd person singular verbouwt verbouwde
plural verbouwen verbouwden
subjunctive sing.1 verbouwe verbouwde
subjunctive plur.1 verbouwen verbouwden
imperative sing. verbouw
imperative plur.1 verbouwt
participles verbouwend verbouwd
1) Archaic.
Read in another language