verrijken

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ rijk +‎ -en

PronunciationEdit

VerbEdit

verrijken ‎(past singular verrijkte, past participle verrijkt)

  1. to enrich
    De Engelse scheikundige Joseph Priestley ontdekte rond 1770 een methode om water met koolzuur te verrijken.
    The English chemist Joseph Priestlely discovered around 1770 a method to enrich water with carbonic acid.

ConjugationEdit

Inflection of verrijken (weak, prefixed)
infinitive verrijken
past singular verrijkte
past participle verrijkt
infinitive verrijken
gerund verrijken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verrijk verrijkte
2nd person sing. (jij) verrijkt verrijkte
2nd person sing. (u) verrijkt verrijkte
2nd person sing. (gij) verrijkt verrijkte
3rd person singular verrijkt verrijkte
plural verrijken verrijkten
subjunctive sing.1 verrijke verrijkte
subjunctive plur.1 verrijken verrijkten
imperative sing. verrijk
imperative plur.1 verrijkt
participles verrijkend verrijkt
1) Archaic.
Read in another language