verstevigen

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ stevig +‎ -en.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈsteː.və.ɣə(n)/, /vɛrˈsteː.və.ɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ver‧ste‧vi‧gen

VerbEdit

verstevigen

  1. (transitive) to solidify, to reinforce

InflectionEdit

Inflection of verstevigen (weak, prefixed)
infinitive verstevigen
past singular verstevigde
past participle verstevigd
infinitive verstevigen
gerund verstevigen n
present tense past tense
1st person singular verstevig verstevigde
2nd person sing. (jij) verstevigt verstevigde
2nd person sing. (u) verstevigt verstevigde
2nd person sing. (gij) verstevigt verstevigde
3rd person singular verstevigt verstevigde
plural verstevigen verstevigden
subjunctive sing.1 verstevige verstevigde
subjunctive plur.1 verstevigen verstevigden
imperative sing. verstevig
imperative plur.1 verstevigt
participles verstevigend verstevigd
1) Archaic.