Open main menu

Wiktionary β

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

versturen

  1. To send (off); to dispatch.
    Iets per post versturen. — To send something by mail/to mail something.

InflectionEdit

Inflection of versturen (weak, prefixed)
infinitive versturen
past singular verstuurde
past participle verstuurd
infinitive versturen
gerund versturen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verstuur verstuurde
2nd person sing. (jij) verstuurt verstuurde
2nd person sing. (u) verstuurt verstuurde
2nd person sing. (gij) verstuurt verstuurde
3rd person singular verstuurt verstuurde
plural versturen verstuurden
subjunctive sing.1 versture verstuurde
subjunctive plur.1 versturen verstuurden
imperative sing. verstuur
imperative plur.1 verstuurt
participles versturend verstuurd
1) Archaic.

Related termsEdit