Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ wijten ‎(to blame).

VerbEdit

verwijten

  1. to blame for
    Ik verwijt de regering het slechte weer. I blame the government for the bad weather.
    Ik verwijt de regering dat ze niets onderneemt tegen het slechte weer. I blame the government for not taking action against the bad weather.

Usage notesEdit

  • The indirect object is the one being blamed, the direct object is what they are being blamed for.

InflectionEdit

Inflection of verwijten (strong class 1, prefixed)
infinitive verwijten
past singular verweet
past participle verweten
infinitive verwijten
gerund verwijten n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verwijt verweet
2nd person sing. (jij) verwijt verweet
2nd person sing. (u) verwijt verweet
2nd person sing. (gij) verwijt verweet
3rd person singular verwijt verweet
plural verwijten verweten
subjunctive sing.1 verwijte verwete
subjunctive plur.1 verwijten verweten
imperative sing. verwijt
imperative plur.1 verwijt
participles verwijtend verweten
1) Archaic.

SynonymsEdit

Related termsEdit

Read in another language