Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From ver- +‎ zwijgen.

PronunciationEdit

  • (file)
  • Rhymes: -ɛi̯ɣən

VerbEdit

verzwijgen

  1. to hold back, suppress, or conceal information; to keep quiet about something

InflectionEdit

Inflection of verzwijgen (strong class 1, prefixed)
infinitive verzwijgen
past singular verzweeg
past participle verzwegen
infinitive verzwijgen
gerund verzwijgen n
present tense past tense
1st person singular verzwijg verzweeg
2nd person sing. (jij) verzwijgt verzweeg
2nd person sing. (u) verzwijgt verzweeg
2nd person sing. (gij) verzwijgt verzweegt
3rd person singular verzwijgt verzweeg
plural verzwijgen verzwegen
subjunctive sing.1 verzwijge verzwege
subjunctive plur.1 verzwijgen verzwegen
imperative sing. verzwijg
imperative plur.1 verzwijgt
participles verzwijgend verzwegen
1) Archaic.