voorspellen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From voor- ‎(fore) +‎ spellen ‎((archaic) to tell, explain).

PronunciationEdit

  • (file)
  • Hyphenation: voor‧spel‧len

VerbEdit

voorspellen ‎(past singular voorspelde, past participle voorspeld)

  1. to foretell
  2. to prophesy
  3. to predict

ConjugationEdit

Inflection of voorspellen (weak, prefixed)
infinitive voorspellen
past singular voorspelde
past participle voorspeld
infinitive voorspellen
gerund voorspellen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular voorspel voorspelde
2nd person sing. (jij) voorspelt voorspelde
2nd person sing. (u) voorspelt voorspelde
2nd person sing. (gij) voorspelt voorspelde
3rd person singular voorspelt voorspelde
plural voorspellen voorspelden
subjunctive sing.1 voorspelle voorspelde
subjunctive plur.1 voorspellen voorspelden
imperative sing. voorspel
imperative plur.1 voorspelt
participles voorspellend voorspeld
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language