voorzeggen

DutchEdit

EtymologyEdit

From voor +‎ zeggen.

PronunciationEdit

VerbEdit

voorzeggen ‎(past singular zei voor or zegde voor, past participle voorgezegd)

  1. to say in advance/beforehand
  2. to say in order to have someone repeat (contrast nazeggen)
  3. to spoil; to ruin (a challenge, secret, story or similar) by giving the answer, solution or outcome prematurely

ConjugationEdit

Inflection of voorzeggen (weak, irregular, separable)
infinitive voorzeggen
past singular zei voor, zegde voor
past participle voorgezegd
infinitive voorzeggen
gerund voorzeggen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zeg voor zei voor, zegde voor voorzeg voorzei, voorzegde
2nd person sing. (jij) zegt voor zei voor, zegde voor voorzegt voorzei, voorzegde
2nd person sing. (u) zegt voor zei voor, zegde voor voorzegt voorzei, voorzegde
2nd person sing. (gij) zegt voor zeidt voor, zegde voor voorzegt voorzeidt, voorzegde
3rd person singular zegt voor zei voor, zegde voor voorzegt voorzei, voorzegde
plural zeggen voor zeiden voor, zegden voor voorzeggen voorzeiden, voorzegden
subjunctive sing.1 zegge voor zeide voor, zegde voor voorzegge voorzeide, voorzegde
subjunctive plur.1 zeggen voor zeiden voor, zegden voor voorzeggen voorzeiden, voorzegden
imperative sing. zeg voor
imperative plur.1 zegt voor
participles voorzeggend voorgezegd
1) Archaic.

Related termsEdit

Read in another language